Model van de RMS Titanic op Google Earth De RMS Titanic werd door rederij White Star Line aangekondigd als het onzinkbare schip, maar al tijdens zijn eerste tocht over de Atlantische Oceaan in 1912 zonk het schip na een aanvaring met een ijsberg.

Olympic-klasse

De Titanic was het tweede schip uit de Olympic-klasse. Het werd voorgegaan door de Olympic en zou worden opgevolgd door de Gigantic. Doordat de Titanic al op zijn eerste reis zonk werden de twee andere schepen echter grondig herzien. Ze werden uitgerust met een dubbele bodem en ook de compartimentstructuur werd verbeterd. De Gigantic, die nog in constructie was, vaarde later uit onder de naam Britannic.

Plaats van het wrak


De Titanic ligt op de bodem van de Atlantische oceaan. De boeg bevindt zich op volgende coördinaten: 41°43’35” N, 49°56’54” W. De achtersteven light iets meer naar het noorden. Op Google Earth vindt je een model van de Titanic.

De ondergang van de Titanic

  • 14 april 1912 – 23u40
    Matroos Frederick Fleet, die vanuit het kraaiennest de zee afspeurt naar obstakels, luidt driemaal de alarmbel. Wat hij zag was een grote ijsberg die recht voor het schip. Over de telefoon licht hij zesde stuurman James Paul Moody in. Op dat moment is het schip echter al aan een uitwijkingsmanoeuvre begonnen. Eerste stuurman Murdoch had de ijsberg al eerder opgemerkt. Helaas komt dit manoeuvre te laat. Het schip draait te traag weg van de ijsberg en ramt de ijsberg langs stuurboordzijde op volle snelheid.

    De romp houdt het niet onder deze grote druk en scheurt op verschillende plekken. Hierdoor stroomt in de eerste zes compartimenten van het schip water naar binnen, een doodvonnis voor het schip. Tijdens de constructie van het schip werd immers slechts rekening gehouden met een beschadiging van de eerste vier compartimenten. Als er meer compartimenten vollopen, dan zal het schip te hard overhellen en kan het water over de rand van de schotten doorstromen naar alle andere compartimenten. Een fout die het schip en vele mensen het leven heeft gekost.

  • 14-15 april 1912 – rond 00u00
    De eerste vijf “waterdichte” compartimenten lopen snel vol, maar om het schip zo lang mogelijk te laten drijven worden de waterpompen ingezet. Deze vertragen het zinken niet veel doordat het schip steeds meer gaat overhellen en de overige compartimenten in snel tempo vollopen.
  • 15 april 1912 – 00u15
    Kapitein Smith geeft na overleg met scheepsbouwkundige Thomas Andrews het bevel aan marconisten John George Philips en Harold Sidney Bride om het noodsignaal CQD uit te sturen naar andere schepen. Later wordt ook het bekende SOS signaal uitgezonden. Op dit moment is er geen twijfel meer over het lot van de Titanic. De noodoproep wordt beantwoord, maar het dichtsbijzijnde schip bevindt zich op vier uur varen. De RMS Carpathia zet meteen koers naar de Titanic.

    De kapitein beveelt iedereen reddingsvesten aan te trekken, maar vele passsagiers in eerste klasse vinden deze maatregel overbodig. Het schip helt op dit moment ligt over, maar er is geen paniek aan boord.

  • 15 april 1912 – 00u45
    Er werden vuurpijlen afgeschoten omdat verschillende bemanningsleden een schip meenden te zien. Een antwoord blijft uit.

    De eerste reddingssloep wordt te water gelaten. De regel “Vrouwen en kinderen eerst” wordt niet bij elke sloep die te water wordt gelaten gevolgd. Meestal krijgen de passagiers uit eerste klasse voorrang.

    Elke sloep werd gevuld door een andere officier waardoor er verschillende regels per sloep golden. Aan stuurboord werden hierdoor meer mensen gered. Aan bakboord liet men immers sloepen vertrekken die niet vol zaten. De reden was dat men daar ook mannen weigerden zelfs al waren er niet genoeg vrouwen en kinderen om de reddingsboten te vullen.

    De werktuigkundigen en stokers, onder leiding van Joseph Bell, bleven op hun post. Doordat zij er in slaagden de ketels zo lang te laten branden konden de pompen en verlichting blijven werken. De Titanic had sneller gezonken, was dit niet het geval geweest. Om 01u15 kregen alle machinisten het bevel hun post te verlaten. Vele hadden dit al gedaan of waren gestorven omdat hun afdeling onder water stond doordat de schotten het hadden begegeven. Vele machinisten kwamen om doordat ze terecht kwamen tussen de passagiers uit derde klasse. Deze werden als minst belangrijk gezien en werden dus ook het minst toegang gegeven tot de reddingssloepen.

  • 15 april 1912 – Tussen 00u45 en 02u17
    Alle reddingsboten worden te water gelaten, maar van de 1178 plaatsen worden er maar 823 gevuld. Omdat er nog vele stierven in de sloep, overleefden slechts 705 passagiers de ramp.

    Deze lage bezetting was het gevolg van een gebrek aan communicatie tussen de ontwerpers van de sloepen en de bemanning. De bemanning dacht dat de reddingssloepen niet stevig genoeg waren om volledig gevuld het water op te sturen. Toch waren ze stevig genoeg om een volledige bezetting aan te kunnen. Ook was de bemanning niet getraind om een evacuatie vlot te laten verlopen.

    Ongelooflijk is dat de meeste mensen pas doorhadden dat het schip ging zinken toen de laatste sloepen te water werden gelaten. Vele geloofden dat het schip meer kans op overleven bood dan de sloepen. Ook het orkest onder leiding van Wallace Hartley bleef op bevel van de scheepsleiding doorspelen. Waarschijnlijk droeg dit bij aan het, valse, veiligheidsgevoel. Pas bij de laatste reddingsloepen brak er paniek uit, deze reddingsloepen verlieten dan ook overvol het schip.

    De marconisten aan boord bleven trouw hun functie uitoefenen tot iets na 02u05.

    Om 02u10 was het zevende waterdichte compartiment compleet met water gevuld. Eén van de twee schoorstenen brak af en het schip ging steeds meer overhellen.

  • 15 april 1912 – Tussen 02u18
    De lichten aan boord vallen uit door kortsluiting.

    Doordat het schip zo sterk overhelt komt er een enorme kracht te staan op de structuur van het schip. De achtersteven steekt uit het water en buigt het schip. Al snel breekt het schip doormidden en zinkt de boeg naar de bodem. De achtersteven komt steeds rechter in het water te staan en zinkt om 02u20 naar de bodem van de Atlantische Oceaan, 3800 m diep.

    1522 van de 2200 opvarenden komen om het leven. Ook kapitein Smith gaat, uit vrije wil, met zijn schip ten onder. Ook Thomas Andrews, de ontwerper, blijft op de Titanic en zinkt mee naar de bodem.

    De drie Nederlanders sterven allemaal. Van de 27 Belgische opvarenden overleven slechts zeven de ondergang van de RMS Titanic.

  • 15 april 1912 – 03u00
    De laatste kreten verstommen. Hoewel de reddingssloepen niet helemaal vol zijn keren slechts enkele terug naar de plaats van de ramp om meer mensen aan boord te helpen. De andere zijn te bang dat ze zullen omslaan door mensen die zich proberen aan te klampen.
  • 15 april 1912 – 04u10
    De RMS Carpathia, onder bevel van kapitein Arthur Rostron, bereikt de plaats van de ramp. De meeste mensen waren toen al gestorven aan onderkoeling. Praktisch niemand werd ondergezogen toen het schip zonk, hoewel dit aanvankelijk werd aangenomen. Later onderzoek heeft uitgewezen dat er bijna geen zuiging was toen de Titanic zonk.

    705 mensen overleven de ramp.

  • 17 april 1912
    De RMS Carpathia komt aan in de haven van New York. Het bedrijf de White Star Line stuurt het schip MacKay-Bennet uit om lichamen van overleden opvarenden op te halen.

    306 lichamen worden hierdoor naar Halifax in Nova Scotia in Canada gebracht. Ook twee andere schepen vervoeren nog 22 lichamen naar Halifax.

    Diegenen die niet geïndentificeerd werden, kregen meestal een zeebegrafenis. Ook sommige van de overleden bemaninningsleden werden op zee begraven.

Aantal overlevenden Titanic

  • 1e klasse
    199 van de 329 passagiers gered.
  • 2e klasse
    119 van de 272 passagiers gered.
  • 3e klasse
    174 van de 710 passagiers gered.
  • Bemanning
    212 van de 897 bemanningsleden gered.